Medische disclaimer: de informatie op deze website is bedoeld als algemene voorlichting en vervangt geen professioneel medisch advies. Raadpleeg bij klachten altijd een arts.
Anatomie van de alvleesklier
De alvleesklier is een langwerpig kliervormig orgaan dat zich diep in je buik bevindt. Om de functies van dit orgaan goed te begrijpen, is het belangrijk om te weten hoe het is opgebouwd en waar het ligt. In dit artikel ontdek je de anatomie van de alvleesklier in detail: de ligging, de verschillende delen, het afvoersysteem en de bloedvoorziening.
Ligging in het lichaam
De alvleesklier ligt retroperitoneaal, wat betekent dat het orgaan zich achter het buikvlies (peritoneum) bevindt. Het ligt horizontaal in je bovenbuik, ter hoogte van de eerste en tweede lendenwervels (L1-L2). Dit is ongeveer op de hoogte van je navel, maar dan aan de achterkant van je buik.
De positie van de alvleesklier kun je als volgt beschrijven:
- Voor: achter de maag, die er als het ware op rust
- Achter: tegen de wervelkolom en grote bloedvaten zoals de aorta en vena cava inferior
- Rechts: omsloten door de C-vormige bocht van de twaalfvingerige darm
- Links: het dunne uiteinde reikt tot aan de milt
Door deze diepe ligging is de alvleesklier van buitenaf niet te voelen. Dat maakt het orgaan ook moeilijk te onderzoeken en verklaart waarom problemen met de alvleesklier soms pas laat worden ontdekt.
Grootte en vorm
De alvleesklier is een langwerpig orgaan met een karakteristieke vorm. Volwassen mensen hebben een alvleesklier van:
- Lengte: 12 tot 15 centimeter
- Breedte: 3 tot 5 centimeter op het breedste punt
- Dikte: 2 tot 3 centimeter
- Gewicht: 80 tot 100 gram
De vorm doet denken aan een platte peer of een vis: het orgaan is breed en dik aan de rechterkant en wordt smaller en dunner richting de linkerkant. Deze vorm past perfect in de ruimte tussen de maag, de twaalfvingerige darm en de milt.
De drie delen van de alvleesklier
Voor medische doeleinden wordt de alvleesklier ingedeeld in drie anatomische delen. Deze indeling helpt artsen om de locatie van een aandoening of tumor precies te beschrijven.
De kop (caput pancreatis)
De kop is het dikste en breedste deel van de alvleesklier. Het ligt rechts in de buik, ingeklemd in de C-vormige bocht van de twaalfvingerige darm (duodenum). De kop wordt aan alle kanten omsloten door deze darmbocht.
Een klein uitsteeksel van de kop, het processus uncinatus (haakuitsteeksel), steekt achter belangrijke bloedvaten uit. Dit haakje ligt achter de bovenste mesenteriaalvaten, de bloedvaten die de dunne darm van bloed voorzien.
In de kop komt de hoofdgang van de alvleesklier samen met de galgang uit de lever. Deze samenvloeiing is belangrijk: problemen in de kop van de alvleesklier kunnen dus ook de galafvoer blokkeren, wat geelzucht veroorzaakt.
Het lichaam (corpus pancreatis)
Het lichaam is het middelste deel van de alvleesklier. Het loopt van rechts naar links en ligt direct achter de maag. De maag rust als het ware op het lichaam van de alvleesklier.
Het lichaam van de alvleesklier ligt voor de grote bloedvaten in je buik: de aorta (hoofdslagader) en de vena cava inferior (grote holle ader). Ook loopt de bovenste mesenteriale slagader direct achter of onder het lichaam van de alvleesklier.
Boven het lichaam bevindt zich de truncus coeliacus, een belangrijke aftakking van de aorta die de maag, lever en milt van bloed voorziet. Aan de onderkant ligt de wortel van het mesenterium, het ophangsel van de darmen.
De staart (cauda pancreatis)
De staart is het dunne, puntige uiteinde van de alvleesklier aan de linkerkant. De staart reikt van het lichaam naar de milt (lien) toe. Het is het meest beweeglijke deel van de alvleesklier, omdat het niet volledig vastzit aan omliggende structuren.
De staart loopt tussen twee lagen van het ligamentum lienale (miltband), een dubbellaags band van buikvlies dat de milt verbindt met de rest van de buik. Door deze nauwe relatie met de milt worden beide organen soms samen verwijderd bij bepaalde operaties.
Het afvoersysteem
Door de hele alvleesklier loopt een ingewikkeld systeem van gangen die het pancreassap afvoeren naar de twaalfvingerige darm. Begrijpen hoe dit systeem werkt, is belangrijk om aandoeningen zoals pancreatitis te kunnen begrijpen.
Hoofdgang (ductus pancreaticus / gang van Wirsung)
De hoofdgang loopt als een hoofdrivier door het hele orgaan, vanaf de staart tot aan de kop. Overal in de alvleesklier monden kleinere zijtakjes uit in deze hoofdgang.
In de kop komt de hoofdgang samen met de galgang (ductus choledochus) die gal vanuit de lever en galblaas aanvoert. Deze samenvloeiing vormt een kleine verwijding die de ampul van Vater (ampulla Vateri) heet.
De ampul mondt uit in de twaalfvingerige darm via een kleine verhevenheid in de darmwand, de papil van Vater (papilla Vateri major). Rondom deze uitmonding zit een ringvormige spier, de sluitspier van Oddi (sphincter Oddi), die regelt wanneer het pancreassap en de gal de darm in kunnen stromen.
Accessoire gang (ductus pancreaticus accessorius / gang van Santorini)
Sommige mensen hebben naast de hoofdgang ook een kleinere accessoire gang. Deze ontspringt uit de kop van de alvleesklier en mondt apart uit in de twaalfvingerige darm via de papilla Vateri minor, een paar centimeter boven de hoofdpapil.
De aanwezigheid en grootte van deze accessoire gang varieert van persoon tot persoon. Bij sommigen is het een grote gang, bij anderen nauwelijks ontwikkeld. Dit is een normale anatomische variatie zonder functionele consequenties.
Pancreas divisum
Bij ongeveer 5-10% van de mensen ontwikkelen de twee embryonale delen van de alvleesklier zich niet volledig tot één gangsysteem. Dit heet pancreas divisum, een aangeboren variatie waarbij de hoofdgang en accessoire gang gescheiden blijven.
Bij pancreas divisum voert de accessoire gang het meeste pancreassap af via de kleinere papil. Dit kan in sommige gevallen leiden tot klachten, omdat de kleine papil niet altijd efficiënt al het sap kan afvoeren. Maar de meeste mensen met pancreas divisum hebben geen problemen.
Microscopische opbouw
Op cellulair niveau bestaat de alvleesklier uit twee totaal verschillende soorten weefsel, die elk hun eigen functie hebben.
Exocrien weefsel (95%)
Het grootste deel van de alvleesklier bestaat uit exocrien weefsel, dat georganiseerd is in kleine druifachtige structuren die acini worden genoemd. Elk acinus bestaat uit een groepje acinaire cellen rondom een klein gangetje.
Deze acinaire cellen produceren de spijsverteringsenzymen. De enzymen worden opgeslagen in blaasjes (zymogeen granules) binnen de cel en vrijgegeven in het kleine gangetje wanneer er voedsel in de darm aankomt.
De kleine gangetjes komen samen in steeds grotere verzamelgangen, totdat ze uitmonden in de hoofdgang. Dit systeem lijkt op een omgekeerde boom: de acini zijn de bladeren, de kleine gangetjes de twijgen en de hoofdgang de stam.
Lees meer over de spijsverteringsenzymen op onze pagina over pancreasenzymen.
Endocrien weefsel (1-2%)
Verspreid door het exocriene weefsel liggen ongeveer 1 tot 2 miljoen kleine celclusters: de eilandjes van Langerhans. Elk eilandje bevat 1.000 tot 3.000 cellen en is slechts 0,1 tot 0,2 millimeter groot.
Deze eilandjes bevatten verschillende celtypen, elk met hun eigen hormoon:
- Bètacellen (65-80%): produceren insuline
- Alfacellen (15-20%): produceren glucagon
- Deltacellen (3-10%): produceren somatostatine
- PP-cellen (<5%): produceren pancreatisch polypeptide
De eilandjes hebben geen gangsysteem. In plaats daarvan geven ze hun hormonen direct af aan de bloedvaten die door de eilandjes lopen. Vandaar bereiken de hormonen de hele bloedsomloop.
Meer weten over deze hormoonproducerende celclusters? Bekijk onze pagina over de eilandjes van Langerhans of lees over de hormonen van de alvleesklier.
Bloedvoorziening
De alvleesklier heeft een rijke bloedvoorziening. Dit is noodzakelijk omdat het orgaan hard werkt en constant enzymen en hormonen produceert. De bloedvoorziening verschilt per deel van de alvleesklier.
Slagadervoorziening (arteriën)
De kop van de alvleesklier krijgt bloed van twee bronnen:
- Arteria pancreaticoduodenalis superior: een tak van de arteria gastroduodenalis, die weer afkomstig is van de arteria hepatica (leverslagader)
- Arteria pancreaticoduodenalis inferior: een tak van de arteria mesenterica superior (bovenste darmslagader)
Deze twee slagaders vormen bogen (arcades) rondom de kop van de alvleesklier en de twaalfvingerige darm. Zo ontstaat een goed doorbloede regio met veel verbindingen tussen de bloedvaten.
Het lichaam en de staart worden bevoorraad door:
- Arteria splenica (miltarterie): deze grote tak van de truncus coeliacus loopt langs de bovenrand van de alvleesklier naar de milt. Onderweg geeft de slagader veel kleine takjes af aan het lichaam en de staart van de alvleesklier.
Veneuze afvoer (aders)
Het bloed dat door de alvleesklier heeft gestroomd, wordt verzameld in verschillende aderen:
- De kop draineert via de venae pancreaticoduodenales naar de vena mesenterica superior en de vena portae
- Het lichaam en de staart draineren via de vena splenica (miltader), die samenkomt met de vena mesenterica superior om de vena portae (poortader) te vormen
De vena portae voert het bloed naar de lever. Dit betekent dat hormonen uit de alvleesklier eerst de lever passeren voordat ze de algemene bloedsomloop bereiken. Dat is belangrijk voor de regulatie van de stofwisseling.
Lymfesysteem
Rondom en in de alvleesklier ligt een netwerk van lymfevaten en lymfeklieren. Dit systeem is belangrijk voor de afweer en voor het afvoeren van vocht uit het weefsel.
De belangrijkste lymfekliergroepen rondom de alvleesklier zijn:
- Pancreaticoduodenale lymfeklieren (rondom de kop)
- Splenica lymfeklieren (langs de miltarterie)
- Mesenteriale lymfeklieren (langs de darmslagaders)
- Coeliacale lymfeklieren (rond de truncus coeliacus)
Bij alvleesklierkanker is de status van deze lymfeklieren belangrijk. Als er tumorcellen in de klieren zitten, betekent dat dat de kanker zich heeft verspreid. Artsen onderzoeken daarom altijd de lymfeklieren bij beeldvorming en tijdens operaties.
Zenuwvoorziening
De alvleesklier krijgt zenuwinformatie via het autonome zenuwstelsel. Dit is het onbewuste systeem dat organen aanstuurt zonder dat je er over nadenkt.
Twee systemen innerveren de alvleesklier:
- Sympathische zenuwen: remmen de alvleesklier, verminderen de productie van enzymen en hormonen
- Parasympathische zenuwen (via de nervus vagus): stimuleren de alvleesklier, verhogen de productie van pancreassap
De parasympathische activiteit neemt toe tijdens het eten. Al het zien, ruiken of proeven van voedsel stuurt signalen via de nervus vagus naar de alvleesklier: "maak je klaar, er komt voedsel aan!" Dit verklaart waarom de alvleesklier al begint te werken voordat het voedsel de darm bereikt.
De zenuwen lopen door de plexus coeliacus, een netwerk van zenuwvezels rond de truncus coeliacus. Bij ernstige, chronische pijn door alvleesklierproblemen kunnen artsen deze zenuwbundel soms blokkeren om pijn te verlichten.
Relatie met omliggende organen
De alvleesklier ligt ingeklemd tussen verschillende andere organen. Deze anatomische nabijheid verklaart waarom aandoeningen van de alvleesklier vaak andere organen beïnvloeden, en andersom.
Maag
De maag ligt direct voor de alvleesklier. De achterwand van de maag rust op het lichaam van de alvleesklier. Dit betekent dat ontstekingen van de alvleesklier vaak pijn geven die naar de maag uitstraalt. Ook kunnen maagulcera soms het alvleesklierweefsel bereiken.
Twaalfvingerige darm
De kop van de alvleesklier ligt in de C-vormige bocht van de twaalfvingerige darm. Deze nauwe relatie betekent dat operaties aan de kop van de alvleesklier (bijvoorbeeld bij kanker) vaak ook een deel van de twaalfvingerige darm moeten verwijderen. Dit heet een pancreatoduodenectomie of Whipple-procedure.
Milt
De staart van de alvleesklier reikt tot aan de milt. De miltslagader loopt langs de bovenrand van de alvleesklier. Bij operaties aan de staart van de alvleesklier wordt daarom vaak ook de milt verwijderd om beschadiging van de bloedvaten te voorkomen.
Grote bloedvaten
Achter de alvleesklier lopen de grootste bloedvaten van het lichaam: de aorta en de vena cava inferior. Ook loopt de bovenste mesenteriale slagader direct onder of achter het lichaam van de alvleesklier.
Deze nabijheid is cruciaal bij alvleesklierkanker. Als een tumor deze grote vaten bereikt of omgroeit, is chirurgische verwijdering vaak niet meer mogelijk. Artsen beoordelen daarom altijd de relatie tussen een tumor en deze bloedvaten.
Klinisch belang van de anatomie
Kennis van de anatomie helpt om verschillende ziektebeelden te begrijpen:
Geelzucht bij koptumoren
Tumoren in de kop van de alvleesklier drukken vaak de galgang dicht, omdat beide structuren daar heel dicht bij elkaar liggen. Het gevolg is geelzucht: gal kan niet meer naar de darm en stapelt zich op in het bloed. Tumoren in het lichaam of de staart geven daarentegen geen geelzucht.
Pijnuitstraling
Pijn van de alvleesklier straalt vaak uit naar de rug, precies tussen de schouderbladen. Dit komt doordat de alvleesklier retroperitoneaal ligt, tegen de zenuwbanen langs de wervelkolom. Mensen met pancreatitis zitten daarom vaak voorovergebogen: dat verlicht de druk op de zenuwen.
Operaties
De complexe anatomie van de alvleesklier maakt chirurgie uitdagend. Het orgaan ligt diep, is omringd door grote bloedvaten en belangrijke structuren, en heeft een delicate weefselstructuur die moeilijk te hechten is. Operaties aan de alvleesklier behoren tot de meest ingewikkelde buikoperaties.
Anatomische variaties
Niet iedereen heeft precies dezelfde anatomie van de alvleesklier. Enkele normale variaties zijn:
- Pancreas divisum: gescheiden gangstelsels, komt voor bij 5-10% van de bevolking
- Annulair pancreas: zeldzame variatie waarbij alvleesklierweefsel als een ring om de twaalfvingerige darm ligt
- Ectopisch pancreas: kleine stukjes alvleesklierweefsel op ongebruikelijke plekken, zoals in de maagwand of dunne darm
- Variaties in de afvoergangen: de manier waarop de hoofdgang en de galgang samenkomen, varieert van persoon tot persoon
Deze variaties zijn meestal onschadelijk en geven geen klachten. Ze worden vaak toevallig ontdekt bij beeldvormend onderzoek voor andere redenen.
Samenvatting
De alvleesklier is een langwerpig orgaan dat retroperitoneaal ligt, op de hoogte van de eerste en tweede lendenwervels. Het orgaan wordt ingedeeld in kop, lichaam en staart. Door de hele alvleesklier loopt een gangsysteem dat het pancreassap naar de twaalfvingerige darm afvoert.
De alvleesklier bestaat uit exocrien weefsel (95%) dat enzymen produceert, en endocrien weefsel (1-2%) dat hormonen maakt. Het orgaan heeft een rijke bloedvoorziening en ligt nauw tegen andere organen aan, zoals de maag, twaalfvingerige darm en milt.
Deze complexe anatomie verklaart waarom problemen met de alvleesklier vaak andere organen beïnvloeden en waarom chirurgie aan dit orgaan zo uitdagend is. Kennis van de anatomie helpt om de functies en aandoeningen van de alvleesklier beter te begrijpen.
Verder lezen
Wil je meer weten over de alvleesklier? Bekijk deze gerelateerde pagina's:
Bronnen
- Netter FH. (2018). Atlas of Human Anatomy. 7th ed. Elsevier.
- Moore KL, Dalley AF, Agur AMR. (2018). Clinically Oriented Anatomy. 8th ed. Lippincott Williams & Wilkins.
- Drake RL, Vogl AW, Mitchell AWM. (2020). Gray's Anatomy for Students. 4th ed. Elsevier.
- Skandalakis JE, et al. (2004). Surgical Anatomy and Technique: A Pocket Manual. 2nd ed. Springer.
- Standring S. (2020). Gray's Anatomy: The Anatomical Basis of Clinical Practice. 42nd ed. Elsevier.
Laatst bijgewerkt: